Vorige week schreef de Belgische krant De Standaard over Japan, en waarom daar (nog) geen populistische leider aan de macht is à la Donald Trump in de Verenigde Staten. De Nederlandse historicus Ian Buruma weet wel waarom: de sociale gelijkheid in Japan is vele malen groter dan in Amerika. Is dit de reden waarom het populisme in het Verre Oosten geen voet aan de grond krijgt?

Een jaar geleden vroeg journalist John Plender van de Financial Times zich ook af waar het populisme blijft in Japan. Volgens hem zou het land dat te danken hebben aan meer inkomensgelijkheid tussen bestuurders en lager geplaatste werknemers, een laag misdaadcijfer, weinig immigranten en een extreem laag aantal werklozen (3 procent van de beroepsbevolking).

In 2016 deden drie Eva Anduiza, Guillem Rico en Marc Guinjoan van de Universitat Autònoma in Barcelona onderzoek naar de relatie tussen sociale gelijkheid en populisme. Hun bevindingen zijn opmerkelijk: populisme kan tot op zekere hoogte sociale ongelijkheden op het gebied van leeftijd en inkomen ongedaan maken. Maar perfecte, algemene conclusies kan het Spaanse drietal niet trekken: in Zweden lijkt het populisme weinig effect te hebben, terwijl de politieke gemoedstoestand in Polen en Griekenland juist kan leiden tot gewelddadige protesten.

 

Wat is de relatie tussen ongelijkheid en populisme?

Voor deze factcheck zullen we kijken naar de mate van sociale gelijkheid in landen, en die vergelijken met het succes van populistische politieke partijen tijdens verkiezingen. De meest betrouwbare cijfers over inkomens(on)gelijkheid zijn afkomstig van de OESO, een sociaal-economische denktank bestaande uit 35 rijke landen.

Hoe gelijk een samenleving economisch gezien is, wordt gemeten met de Gini-coëfficiënt. Op een schaal van 0 tot 1 vertelt dit cijfer waar een land presteert tussen volledige ongelijkheid (0) en volledige gelijkheid (1). De meest recente gegevens vertellen dat van de 35 OESO-landen Slovenië het meest gelijke land is (Gini van 0,236); Mexico is met 0,476 het minst gelijke land in de ranglijst.

Met deze cijfers kijken we naar hoe populistische partijen bij recente verkiezingen hebben gepresteerd in de 35 genoemde landen. Hier zitten federale, provinciale, gemeentelijke en landelijke verkiezingen tussen; presidentiële verkiezingen zijn niet meegeteld, omdat deze vaak in meerdere rondes plaatsvinden (waarbij populistische partijen meestal in een eerder stadium afvallen). Al deze gegevens vormen de volgende tabel:

 

Land Gini Populistische partij Stemmen (in %) Jaar
Slovenië 0.236 Slovenska ljudska stranka 3.95 2014
Denemarken 0.248 Dansk Folkeparti 8.75 2017
Noorwegen 0.25 Fremskrittspartiet 15.2 2017
Tsjechië 0.256 ANO 2011 29.64 2017
Slowakije 0.257 Kotleba – Ľudová strana – Naše Slovensko 0.5 2017
België 0.259 Vlaams Belang 3.67 2014
Finland 0.259 Perussuomalaiset 17.65 2015
Zweden 0.259 Sverigedemokraterna 12.86 2014
Oostenrijk 0.261 Freiheitliche Partei Österreichs 26.0 2017
Hongarije 0.272 Fidesz + Jobbik 65.69 2014
Luxemburg 0.288 Alternativ Demokratesch Reformpartei 6.64 2013
Frankrijk 0.293 Front National 27.73 2015
Ierland 0.293 Identity Ireland 0.05 2016
Nederland 0.294 Partij voor de Vrijheid 13.1 2017
Duitsland 0.295 Alternative für Deutschland 11.5 2017
Ijsland 0.301 Flokkur fólksins 6.9 2017
Zwitserland 0.303 Schweizerische Volkspartei 29.4 2015
Polen 0.305 Prawo i Sprawiedliwość 37.58 2015
Griekenland 0.307 Syriza 35.46 2015
Estland 0.315 Eesti Konservatiivne Rahvaerakond 6.7 2017
Zuid-Korea 0.315 Minjudang 0.1 2016
Spanje 0.317 Unidos Podemos 21.15 2016
Canada 0.324 Bloc Québécois 4.7 2015
Japan 0.329 Kibō no Tō 20.64 2017
Nieuw-Zeeland 0.33 New Zealand First 7.2 2017
Australië 0.336 One Nation 4.29 2016
Italië 0.337 Movimento 5 Stelle + Forza Italia + Lega Nord 22.2 2017
Verenigd Koninkrijk 0.345 UK Independence Party 0.1 2017
Portugal 0.353 Partido Nacional Renovador 0.09 2017
Israël 0.371 Yisrael Beitenu 5.1 2015
Verenigde Staten 0.378 Libertarian Party 1.65 2016
Chili 0.394 Unión Patriótica 0.44 2017
Turkije 0.409 Milliyetçi Hareket Partisi 11.9 2015
Mexico 0.476 Movimiento Regeneración Nacional 8.8 2015

 

Natuurlijk zijn dit geen perfecte data. De Gini-coëfficiënt is bijvoorbeeld grof genomen voor de jaren 2010-2020. Deze sluit dus niet naadloos aan op de verkiezingsuitslagen en de aandelen van de respectievelijke populistische partijen daarin. De vergelijking tussen landen met ietwat verschillende politieke systemen – een deel heeft bijvoorbeeld ook federale verkiezingen – kent eveneens beperkingen.

Ook de definitie van populisme zal voor elk land en voor ieder individu enigszins verschillen. We hebben als criteria gekeken naar of een partij zich duidelijk op de linker- dan wel rechterflank profileert, en/of de partij zelf of de media en het publiek deze als populistisch (soms ook nationalistisch) beschouwen. Daarbij kunnen traditionele machtspartijen (denk aan de VVD in Nederland of de Conservative Party in het Verenigd Koninkrijk) zelf ook populistische retoriek hanteren.

Tot slot geven de data van de Verenigde Staten een vertekend beeld. Door het traditionele tweepartijensysteem in het land krijgen overige partijen nauwelijks een kans om zich te profileren op het politieke podium. Je zou zowel de Democratische Partij (met Bernie Sanders) als de Republikeinse Partij (Donald Trump) onder het populisme kunnen scharen, maar enkele prominente populisten in hun gelederen maken nog niet dat de hele partij die methodes en zegswijzen deelt. Daarom hebben we voor de VS gekozen voor de Libertarische Partij, een groep die zich behoorlijk ver buiten het politieke establishment bevindt en in haar beginselen dicht bij het volk staat.

Toch kunnen we hiermee een redelijk beeld vormen van een mogelijke relatie tussen ongelijkheid en populisme in een land. Op die manier krijg je de volgende scatterplot:

!function(e,t,s,i){var n=”InfogramEmbeds”,o=e.getElementsByTagName(“script”)[0],d=/^http:/.test(e.location)?”http:”:”https:”;if(/^\/{2}/.test(i)&&(i=d+i),window[n]&&window[n].initialized)window[n].process&&window[n].process();else if(!e.getElementById(s)){var r=e.createElement(“script”);r.async=1,r.id=s,r.src=i,o.parentNode.insertBefore(r,o)}}(document,0,”infogram-async”,”https://e.infogram.com/js/dist/embed-loader-min.js”);

Wat zeggen de data?

Er zijn twee landen (met hun populistische partijen) te zien die zich onderscheiden van de rest: Mexico en Hongarije. De Mexicanen hebben met een Gini-coëfficiënt van 0,476 een relatief hoge mate van inkomensongelijkheid, maar de populisten van de Movimiento Regeneración Nacional (MORENA) halen slechts 8,8 procent van de stemmen.

In Hongarije is het juist andersom. De Gini bedraagt daar 0,272 – net buiten de top 10 van meest egalitaire OESO-landen -, maar liefst twee derde van de kiezers ging bij de laatste verkiezingen voor de populistische partijen Fidesz (van de huidige premier Viktor Orbán) en Jobbik. De casus van Mexico zie je in mindere mate terug bij Turkije; Griekenland en Polen lijken weer meer op Hongarije.

We kunnen ook meer algemene uitspraken doen over de relatie tussen ongelijkheid en populisme. Dit aan de hand van de correlatie: hoe dichter deze bij 1 (of -1) ligt, hoe meer de ene variabele – drie toe- dan wel afneemt – zal volgen. Die vlieger gaat niet op bij deze 35 voorbeeldlanden: de correlatie is slechts -0,25159. Met andere woorden: er is hier, paradoxaal, een zwakke trend te zien waarin er minder op populisten wordt gestemd als de inkomensgelijkheid groter wordt.

 

Welke factoren spelen nog meer mee bij populisme?

Het is dus veel te kort om te zeggen dat er een sterk verband is tussen het verschil in inkomens in een land, en hoeveel inwoners van datzelfde land op extreemlinkse of -rechtse, dan wel nationalistische partijen stemmen. Er lijken meer factoren belangrijk te zijn, zoals de bovengenoemde Spaanse studie al aantoonde.

Migratie bijvoorbeeld: dat is al jaren een heet hangijzer in Hongarije, maar ook in Tsjechië, Griekenland (een belangrijk ‘doorvoerland’ in de vluchtelingencrisis) en Frankrijk. Al die landen stemmen relatief veel op populistische politici. En wat hebben misdaad- en werkloosheidscijfers voor effect op populistisch stemgedrag?

 

Misdaadcijfers

De meest overzichtelijke manier om misdaadcijfers van landen te vergelijken, is om te kijken naar de moordstatistieken (verzameld door het Office on Drugs and Crime van de Verenigde Naties). Voor de overzichtelijkheid van de scatterplot zullen we Mexico (significant meer moorden dan de rest wegens de al jaren woedende drugsoorlog) en Hongarije (dat veel meer populistische stemmers heeft dan elders) even achterwege laten. De grafiek komt er dan zo uit te zien:

!function(e,t,s,i){var n=”InfogramEmbeds”,o=e.getElementsByTagName(“script”)[0],d=/^http:/.test(e.location)?”http:”:”https:”;if(/^\/{2}/.test(i)&&(i=d+i),window[n]&&window[n].initialized)window[n].process&&window[n].process();else if(!e.getElementById(s)){var r=e.createElement(“script”);r.async=1,r.id=s,r.src=i,o.parentNode.insertBefore(r,o)}}(document,0,”infogram-async”,”https://e.infogram.com/js/dist/embed-loader-min.js”);

De negatieve correlatie (hoe minder moorden, hoe meer populismestemmers) is hier iets sterker (-0,30174), maar nog steeds is dat lang niet significant te noemen. Hier ironisch genoeg geldt eigenlijk hetzelfde als met de vergelijking tussen inkomensongelijkheid en populisme: hoe erger het wordt, des te minder mensen populistisch gaan stemmen. In de grafiek zie je dat duidelijk. Landen met relatief veel moorden (VS, Chili, Estland en Turkije) stemmen relatief weinig op populisten, terwijl het relatief veilige Griekenland en Polen juist vrij vaak voor een populistische partij kiezen in het stemhokje.

 

Werkloosheid

Tot slot bekijken we of er een correlatie bestaat tussen werkloosheid en populisme in de genoemde landen. Wikipedia maakte een overzicht van werkloosheidscijfers, aan de hand van statistiek die de International Labour Organization (ILO), de OESO en het Europese statistiekbureau Eurostat verzamelden. Daar komt deze grafiek uit voort:

!function(e,t,s,i){var n=”InfogramEmbeds”,o=e.getElementsByTagName(“script”)[0],d=/^http:/.test(e.location)?”http:”:”https:”;if(/^\/{2}/.test(i)&&(i=d+i),window[n]&&window[n].initialized)window[n].process&&window[n].process();else if(!e.getElementById(s)){var r=e.createElement(“script”);r.async=1,r.id=s,r.src=i,o.parentNode.insertBefore(r,o)}}(document,0,”infogram-async”,”https://e.infogram.com/js/dist/embed-loader-min.js”);

Wat blijkt? De correlatief is, in tegenstelling tot bij inkomensongelijkheid en misdaadcijfers, licht positief: 0,199592. Ofwel: hoe meer werkloosheid in een land, hoe meer men over het algemeen populistisch stemt. De grote uitzondering is wederom Hongarije, dat zoals gezegd voor twee derde op populistische partijen stemt, maar slechts 3,8 procent werklozen heeft.

Griekenland bevestigt de hypothese het meest: het Zuid-Europese land heeft sinds de financiële crisis uitbrak keihard moeten bezuinigen en is daar nog lang niet van hersteld. De werkloosheid is opgelopen tot maar liefst 21,2 procent van de beroepsbevolking, dus het is niet vreemd dat meer dan een derde van de Grieken in 2015 de radicaal-linkse partij Syriza in vertrouwen nam om de situatie in het land te verbeteren. Dit geldt in mindere mate voor Spanje, dat bij de laatste verkiezingen ook veel voor een nieuwe linkse partij (Podemos) koos.

 

Conclusie: ongefundeerd

Samenvattend is zowel bij inkomensongelijkheid als bij misdaadcijfers en werkloosheid niet één op één te constateren dat – als een van deze variabelen omhoog gaat – het percentage populistische stemmers vanzelf volgt. Zo is Mexico een vrij ongelijk land, maar stemt het weinig op populisten. In Hongarije is de situatie juist andersom: weinig ongelijkheid, moorden of werkloosheid, maar veel stemmen op Fidesz en Jobbik. We beoordelen de bewering van historicus Ian Buruma daarom als ongefundeerd.